Focus – Journalistiek in Syrië: een levensgevaarlijke taak

De perskaart van de gisteren gedode Franse journalist Yves Debay. © Blottr

De perskaart van de gisteren om het leven gekomen  Franse journalist Yves Debay. © Blottr

Gisteren kwamen er in Syrië wederom twee journalisten om het leven. Een Al-Jazeera-reporter en een Belgische journalist vonden de dood in het inmiddels al tweeëntwintig maanden durende conflict. Dat brengt het aantal gedode journalisten inmiddels op minstens twintig. In Syrië is journalistiek bedrijven een levensgevaarlijke taak.

Gisteren bracht Al-Jazeera naar buiten dat de 33-jarige verslaggever Mohamed al-Horani eerder die dag om het leven kwam in de Syrische provincie Deraa. Al-Horani versloeg de gevechten aan de frontlinie in het stadje Busra al-Harir voor de Arabische nieuwszender. Terwijl hij vergezeld door rebellen een open plek in de stad probeerde over te steken, nam een sluipschutter van het regeringsleger hem op de korrel. Al-Horani werd door drie kogels geraakt en overleed kort daarna aan zijn verwondingen.

Eerder die dag kwam de Belg Yves Debay om het leven in Aleppo. Debay werd in zijn hoofd getroffen door een kogel afkomstig van een sluipschutter terwijl hij verslag deed van de gevechten in de stad, bevestigde het Syrian Observatory for Human Rights. De 58-jarige Debay deed al jaren verslag van internationale conflicten, zoals de twee Golfoorlogen, de Joegoslavië-oorlog en de Afghanistanoorlog. Hij deed nu voor het Franse magazine Assaut verslag van de Syrische burgeroorlog. Deze twee doden brengen het aantal doden onder journalisten sinds het begin van de opstand in Syrië volgens Reporters Without Borders al op minstens twintig.

De begrafenis van Shukri Ahmed Ratib Abu Burghul. © MediawerkgroepSyrië.

De begrafenis van Shukri Ahmed Ratib Abu Burghul. © MediawerkgroepSyrië.

Door het slepende conflict is het land een van de meest onveilige plekken ter wereld geworden voor journalisten. Sinds de opstand in maart 2011 begon, zijn er talloze journalisten gedood, ontvoerd of gewond geraakt in Syrië. Het aantal gewonde of gedode citizen journalists – amateurfilmers zal waarschijnlijk nog veel hoger liggen. De eerste ‘officiële’ journalist die omkwam tijdens de opstand was Shukri Ahmed Ratib Abu Burghul. De verslaggever voor een radiostation in Damascus werd bij het verlaten van zijn huis onder vuur genomen door strijders en stierf een paar dagen later.

De dood van de Franse journalist Gilles Jacquier, 11 januari 2012, was het begin van een reeks slachtoffers onder westerse journalisten. Jacquier, verslaggever voor de Franse televisie, kwam om bij een mortieraanval op een huis in Homs. Hij werd op dat moment met enkele andere journalisten rondgeleid door regeringssoldaten in de hevig bevochten stad. Ook de Nederlandse fotograaf Steven Wassenaar raakte gewond bij de aanval. De verantwoordelijkheid voor de afgevuurde mortier werd lang betwist, maar uit onderzoek van de Arabische Liga werd echter duidelijk dat de aanval waarschijnlijk door rebellen was uitgevoerd.

22 februari dat jaar kwamen in Homs de ervaren Amerikaanse oorlogsjournaliste Marie Colvin en de Franse fotograaf Remi Ochlik om het leven. De twee stierven nadat regeringstroepen het geïmproviseerde mediacentrum van de opstandelingen onder vuur namen met mortiergranaten. Colvin had niet lang daarvoor nog verslag uitgebracht aan CNN. Volgens onder andere de oorlogsverslaggever Jean-Pierre Perrin had het Syrische leger het mediacentrum bewust als doelwit gekozen en had ze de locatie ervan vastgesteld door het aflezen van telefoonsignalen.

Ook de gerenommeerde Japanse oorlogsfotografe Mika Yamamoto vond de dood in Aleppo. Terwijl ze op 20 augustus met strijders van het Vrije Syrische Leger (FSA) onderweg was in de stad, werd de groep onder vuur genomen door het regeringsleger. Yamamoto werd ondanks haar kogelvrije vest negen keer geraakt, waaronder in haar nek, en overleed niet veel later in een ziekenhuis in de buurt. Haar man en videojournalist Kazutaka Sato raakte gewond bij de aanval. Hij verklaarde later dat Yamamoto omgekomen was nadat regeringstroepen willekeurig het vuur hadden geopend.

Maar ook veel Syrische journalisten zijn om het leven gekomen in de tweeënwintig maanden durende opstand. De aanval op het regeringsgezinde TV-station Al-Ikbhbaria, 27 juni, kostte zeven lokale journalisten het leven. De Syrische televisiepresentator Mohammed al-Saeed werd 19 juli 2012 ontvoerd en later geëxecuteerd door het radicaal-islamitische al-Nusrafront. En ook het hoofd van het Syrische staatspersbureau SANA, Ali Abbas, werd 11 augustus vlak buiten zijn huis in Jdaidet Artuz in koelen bloede vermoord.

Ook Maya Nasser, verslaggever voor het Iraanse staatstelevisiestation PressTV, kwam om door een kogel afkomstig van een sluipschutter van de rebellen. Hij deed 26 september in Damascus verslag van explosies bij het hoofdkantoor van het Syrische leger op het Umayyad Square, toen hij  fataal in zijn nek werd getroffen. De PressTV-journalist Hussein Murtada werd bij de aanval door een kogel in zijn been getroffen. Het Iraanse televisiestation sprak schande van het tot doelwit maken van hun medewerkers door de rebellen.

En dan zijn de diverse ontvoerde journalisten nog niet genoemd. Onder andere de westerse oorlogsjournalisten James Foley en Austin Tice worden op dit moment nog vermist in Syrië. Van Tice is enige tijd geleden een beklemmende video opgedoken, waarin hij omringd door wat islamitische strijders lijken om genade smeekt. De Amerikaanse NBC-journalist Richard Engel had meer geluk. Hij werd afgelopen december met twee leden van zijn crew ontvoerd door een regeringsgezinde militie, maar wist na enkele dagen te ontsnappen. Reporters Without Borders schat dat er nog 21 ‘officiële’ journalisten gegijzeld worden in het land.

Reporters Without Borders houdt een voorzichtige telling bij van het aantal gedode en gegijzelde journalisten in Syrië. © RWB.

Reporters Without Borders houdt een voorzichtige telling bij van het aantal gedode en gegijzelde journalisten in Syrië. © RWB.

Er lijkt voorlopig nog geen einde in zicht voor de burgeroorlog die inmiddels al meer dan 60.000 levens heeft gekost. Met de dood van de twee journalisten gisteren tikt de dodenteller van Reporters Without Borders gestaag verder. Gezien de slepende aard van het conflict is het is dan ook zeer de vraag of Debay en al-Horani de laatste journalisten zijn die in Syrië de dood zullen vinden.

Interview – Harry Fear: ‘Het feit dat ik mens ben, betekent dat ik een activist ben’

De Britse documentairemaker en journalist Harry Fear was deze week in Nederland, als onderdeel van een wereldtour waarbij hij lezingen geeft over zijn ervaringen in de Gazastrook tijdens de Israëlische operatie Pillar of Defense, afgelopen november. Op zijn visitekaartje staat het Desmond Tutu-citaat ‘If you are neutral in situations of injustice, you have chosen the side of the oppressor‘. Ik sprak met de activistische filmmaker over het achtdaagse conflict, journalistiek en objectiviteit. 

© Youth for Palestine.

© Youth for Palestine.

Wat denkt u dat er anders was aan het conflict van afgelopen november vergeleken met het conflict in 2009?
“Volgens Palestijnen was dit conflict, hoewel het acht in plaats van 22 dagen duurde, aanzienlijk wreder dan het vorige. Ze ervoeren de aanvallen en agressie ook als veel terroristischer van aard. De militaire kracht die gebruikt werd bij de Israëlische aanvallen – en er waren er tweeduizend of meer gedurende die acht dagen – was vergeleken met 2009 veel gewelddadiger in termen van de soorten wapens en het aantal bommen.
Om een voorbeeld te geven, het meest veroordeelde incident van het conflict: de massacre van de Al-Dalou familie. Een vacuümbom werd op een civiele woning in het midden van een extreem drukbevolkte woonwijk gegooid, twintig seconden lopen van het huis van een van m’n beste vrienden. De bom maakte het huis met de grond gelijk en doodde iedereen [12 mensen] behalve één familielid van het beoogde doelwit, die toen niet eens in het gebouw was. Een ander voorbeeld zijn de aanvallen op het zuidelijke deel van de Gazastrook en het Nuseirat-vluchtelingenkamp aan de kust. Die plekken werden onderworpen aan vijf uur van niet-aflatende bombardementen. In het geval van Nuseirat vanaf zee, in het geval van het zuidelijk gelegen Rafah vanuit de lucht. Dat betekent dat je gebouw, je bed en je lichaam vijf uur lang onafgebroken trillen. Dat is geen prettige ervaring.”

Een van de bombardementen op Gaza-Stad. © BBC 2012.

Een van de bombardementen op Gaza-Stad. © BBC 2012.

Kunt u de de sfeer in de straten van Gaza-stad beschrijven tijdens de Israëlische operatie Pillar of Defense?
“De sfeer op straat was dat er helemaal niemand was, omdat mensen in hun huizen toevlucht zochten. ’s Nachts gold er een uitgangsverbod vanuit de lucht, zodat als je je naar buiten waagde, je óf een doelwit óf collateral damage kon worden. Dus mensen bleven thuis. En als hun huizen in een gevaarlijk gebied lagen, verbleven ze tijdelijk bij familieleden in een minder gevaarlijk gebied. Het probleem was dat tijdens het laatste conflict geen enkele plek veilig was. Ik had vrienden die me belden en zeiden dat ze werkelijk doodsbang waren. En dan hebben we het over volwassen mensen. Dit is geen plezierige ervaring voor een grotendeels civiele bevolking. En die 1,6 miljoen Palestijnen in de Gazastrook bestaan bovendien voor een groot deel uit kinderen. Die zijn natuurlijk nog minder voorbereid op het doorstaan van aanhoudend psychisch letsel.”

“Palestijnse journalisten riskeerden hun levens om verslag te kunnen blijven doen van de waarheid”

Hoe beziet u de bombardementen op de mediatorens in Gaza-stad, zijn die te rechtvaardigen?
“Die zijn niet te verdedigen volgens het internationale recht, tenzij Israël een verbazingwekkend soort wapen had waarmee ze geen onschuldige burgerslachtoffers zouden maken. Volgens de bewijzen is prima facie sprake van een oorlogsmisdaad: het tot doelwit maken van journalisten. Israël claimt dat de strike op de toren [van 18 november] gericht was op het dak, schijnbaar waren satellietschotels het doelwit van de aanval. Wanneer is er ooit een raket gestopt bij een dak? Raketten worden niet tegengehouden door papier-maché, die gaan daar dwars doorheen. En al helemaal raketten afkomstig van straaljagers en drones.”


“Mediagebouwen ontvingen ook bedreigende telefoontjes van personen van de Israëlische militaire inlichtingendienst. Er werd gebeld met de boodschap ‘wij gaan mogelijk jullie gebouw bombarderen, jullie moeten wegwezen’. Zo werden bijvoorbeeld álle mediagebouwen tegelijk enkele uren geëvacueerd. Dus werden er satellietschotels geplaatst op straat, in hotels en in restaurants door mensen die geïmproviseerde studio’s probeerden op te zetten. De boodschap die de Palestijnse journalisten daarmee probeerden weer te geven is dat ze hun levens riskeerden om verslag te kunnen blijven doen van de waarheid. En overduidelijk stonden hun levens ook werkelijk op het spel, want sommigen van hen zijn gedood.”

Om welke reden denkt u dat Israël uiteindelijk niet is overgegaan tot een grondoffensief?
“Een van de redenen was dat het gedrag voorafgaand aan het moment dat het leek alsof ze een grondaanval gingen lanceren, makkelijk te veroordelen was – zelfs voor de meest conservatieve bondgenoten van Israël. Dus zou een grondoffensief op vele manieren politiek onlogisch zijn geweest voor Israël, ook omdat militair gesproken veel Israëliërs zouden zijn gedood. Sinds operatie Cast Lead heeft het Palestijnse gewapende verzet namelijk diverse militaire strategieën ontwikkeld die het erg moeilijk maken voor de Israëliërs. De Palestijnen hebben werkelijk een defensieve capaciteit op de grond. Een tweede reden is dat het niveau van het door verzetsgroepen gebruikte geweld tijdens de achtdaagse operatie ongekend was. De feitelijke aanvallen op Israëlisch grondgebied waren zonder precedent. Dit was een serieuze factor die bijdroeg aan het weerhouden van een grondoffensief.”

“In de afgelopen vijf weken zijn er 71 Palestijnse kinderen gedood tegenover één Israëlisch kind, willen we hier fifty-fifty over zijn?”

Beschouwt u zichzelf meer een journalist of meer een activist?
“Eigenlijk is ieder mens een activist voor iets. Elke beslissing die we nemen heeft een beweegreden, mensen realiseren zich alleen vaak niet wat die reden is. Ik zou zeggen dat in de journalistiek het des te belangrijker is dat we tactvol zijn met het standpunt dat we innemen. Omdat als je in gevallen van onrechtvaardigheid een neutrale positie probeert in te nemen, de mensen waar het om gaat dat niet erg zullen waarderen. Ze verkeren namelijk al in een zeer partijdige situatie, waarin de onderdrukker de overhand heeft. Dus om het dan fifty-fifty te verslaan werkt moreel gezien gewoonweg niet. En dit is een structureel probleem dat westerse media hebben bij het verslaan van het Israël-Palestina conflict, maar ook andere internationale conflicten. Voor mij betekent het feit dat ik een mens ben, dat ik een activist ben. En dat ik ervoor heb gekozen om verhalen te vertellen, in de basale vorm van journalistiek en documentaire films, betekent dat ik respectvol en verantwoordelijk moet omgaan met de feilbaarheid die we elk hebben als mens. We hebben allemaal een persoonlijkheid en een achtergrond en daarom zijn we allemaal ook bevooroordeeld. We moeten alleen die vooringenomenheid gebruiken om rechtvaardigheid en vrede te bevorderen.”

Een van de gebombardeerde mediatorens in Gaza-stad. © AP

Een gebombardeerde mediatoren in Gaza-stad. © AP

Wat hoopt u te bereiken met lezingen zoals deze?
“In dit specifieke geval sprak ik voor studenten journalistiek. Het beoogde effect is om men te laten nadenken over de morele consequenties van de objectiviteit-theorie en het neutraliteitsspelletje. Ik wil mensen laten zien dat de wereld vol is van onrechtvaardigheden. En ze laten overwegen of ze dan werkelijk het fifty-fifty-spelletje willen spelen en pretenderen dat ze robots in plaats van mensen zijn. In de afgelopen vijf weken zijn er 71 Palestijnse kinderen gedood tegenover één Israëlisch kind, willen we hier fifty-fifty over zijn? Ik wil dat in elk geval niet. En die morele basis hoort in onze levensovertuigingen door te vloeien, inclusief ons werk als journalisten.”

 Gaat u binnenkort weer terug naar de Gazastrook?
“Over een aantal weken ga ik weer terug, nadat de tour is afgelopen. Dus ik hoop tegen het einde van februari weer in de Gazastrook te zijn.”

Op Casus Belli kunt u tevens een verslag vinden van de lezing die Harry Fear op 18 december in Amsterdam over het conflict gaf.

Meer videomateriaal van Harry Fear kunt u zien op HarryFear.tv