Achtergrond – Wordt Libanon meegezogen in de sektarische strijd in Syrië?

De slag om de Syrische stad Qusayr werd eerder deze week gewonnen door het Syrische regime, met forse steun van het Libanese Hezbollah. De inmenging van de sjiitische verzetsbeweging kan echter grote gevolgen hebben voor de stabiliteit van buurland Libanon.

Jongeren in Kafranbel, in de provincie Idlib. ©TheRevoltingSyrian

Jongeren in Kafranbel, Syrië, tonen een tekening waarop Hezbollah-leider Nasrallah en de Syrische president Assad Libanon terug slepen naar de burgeroorlog in 1975. ©TheRevoltingSyrian

De burgeroorlog in Syrië begint steeds meer te lijken op een totale sektarische strijd. De Syrische rebellen, voor het grootste deel soennitische moslims, nemen het op tegen het regime van de alawitische Bashar al-Assad, inmiddels openlijk gesteund door de sjiitische verzetsbeweging en politieke partij Hezbollah.

De aanhangers van de Syrische president zijn voor een groot deel afkomstig uit die alawitische geloofsgemeenschap, een zijtak van de sjiitische islam. Dat sektarische conflict begint langzaam door te sijpelen in buurland Libanon, dat altijd al een kruitvat van geloofsspanningen is geweest.

Die strijd tekent zich het best af in de stad Tripoli. Vooral de wijken Jabal Mohsen, een alawitisch bolwerk waar Hezbollah en Assad veel steun genieten, en Bab al-Tabbaneh, bevolkt door de rebellen gezinde soennieten, staan daar tegenover elkaar. Conflicten zijn er al jaren schering en inslag, maar sinds het uitbreken van de Syrische burgeroorlog zijn die verhevigd – met alleen al de afgelopen twee maanden tientallen doden als gevolg.

Donderdag brak in het centrum van Tripoli een massaal vuurgevecht uit tussen Hezbollah-aanhangers en militante soennieten, waarbij het leger uiteindelijk moest ingrijpen. De steeds heftiger wordende etnische strijd in de stad baart zorgen voor de rest van het land.

25 mei sprak Hezbollah-leider Hassan Nasrallah zijn onvoorwaardelijke steun aan het regime van Assad uit. De inmenging van de verzetsbeweging in de burgeroorlog werd enkele maanden geleden al gemeld door activisten in Syrië, maar deze openlijke steunbetuiging zette definitief kwaad bloed bij de rebellen.

Een man toont de portretten van de Syrische president Assad en Hezbollah-leider Nasrallah.

De dag na de toespraak van Nasrallah, landden twee raketten in het zuidelijke deel van de hoofdstad, een belangrijke machtsbasis van Hezbollah. Een officier van het Vrije Syrische Leger (FSA), Ammar al-Wawi, omschreef de aanval als een waarschuwing aan de partij. FSA-generaal Salim Idriss dreigde 28 mei dat de rebellen ‘Hezbollah tot in de hel zouden achtervolgen’, als het zich niet uit de strijd in Syrië zou terugtrekken.

Maar vooral in de aan Syrië grenzende Bekavallei, waar veel Hezbollah-aanhangers wonen, regent het granaten en raketten. Syrische rebellen namen de afgelopen weken sjiitische dorpen en steden onder vuur, uit wraak voor de belegering van het vlak over de grens gelegen Qusayr.

De poreuze Syrisch-Libanese grens zorgt ervoor dat strijders van beide kampen makkelijk de oversteek kunnen maken, met felle gevechten tot gevolg. Hezbollah-strijders en Syrische rebellen raakten maandag vlak bij het in de vallei gelegen Baalbek slaags, toen de rebellen betrapt werden toen ze een raketaanval op de stad voorbereidden. 28 mei werden drie Libanese militairen doodgeschoten bij een controlepost in de Bekavallei, vermoedelijk door Syrische rebellen.

De toenemende onrust wordt alleen maar versterkt door de heersende politieke chaos. Eind maart kondigde de regering van premier Najib Mikati zijn ontslag aan, na een geschil met Hezbollah over onder meer de voorbereiding op de verkiezingen. Ook de burgeroorlog in Syrië zou hebben meegespeeld. President Michel Suleiman wees de soennitische politicus Tammam Salam aan om een overgangsregering te vormen. Het Libanese parlement stemde vervolgens in met het uitstellen van de verkiezingen tot november 2014, ondanks heftige protesten.

De politieke partijen zijn grotendeels verdeeld in de 8 maart-alliantie – het pro-Syrische blok waarin ook Hezbollah zit – en de 14 maart-alliantie, die negatief staat tegenover het Syrische regime. De zetelverdeling onder deze twee blokken maakt de vorming van een stabiele coalitie op het moment erg problematisch. Het creëren van een overgangsregering is Salam twee maanden later dan ook nog niet gelukt.

De verdeling van de religieuze groepen in Libanon. © University of Chicago

Een van de redenen daarvoor zijn de sterke etnische tegenstellingen, die de afgelopen tijd enkel vergroot zijn door de oorlog in Syrië. Libanon is van oudsher een bonte verzameling van etnische groeperingen, waaronder druzen, christenen, sjiieten en soennieten. Die groepen bestreden elkaar fel in de burgeroorlog (1975-1990) die het land verscheurde, en leven sindsdien in een wankel evenwicht samen. Het land dreigt door de sektarische strijd in Syrië nu weer terug te vallen in die chaos van etnische geschillen.

De vrees is dat de oplaaiende strijd in de Bekavallei en Tripoli een voorteken is voor wat komen gaat in de rest van het land. De inmenging van Hezbollah in Syrië heeft de vijandelijkheid tussen de etnische groepen enorm doen toenemen. In Beiroet is vandaag bij een demonstratie tegen de verzetsbeweging al een dode gevallen, toen Hezbollah-aanhangers en protestanten elkaar te lijf gingen.

Door de toenemende frequentie en intensiteit van dergelijke conflicten, in combinatie met de onmacht van de politiek, menen sommige commentatoren dat het slechts een kwestie van tijd is voordat de bloedige sektarische burgeroorlog die in Syrië woedt, geheel overwaait naar Libanon.

Hezbollah-aanhangers vallen een protestant aan, bij een demonstratie tegen de inmenging van de verzetsbeweging in Syrië, 9 juni in Beiroet. © AP

Achtergrond – De redenen van de Turkse onvrede

In Turkije zijn vandaag voor de vierde dag op rij demonstranten tegen de regering van premier Erdogan slaags geraakt met de politie. Vooral in Istanbul, maar ook in Izmir en Ankara zijn protesten weer in alle hevigheid uitgebroken. Wat zijn de beweegredenen achter de demonstraties?

Protesten in de Turkse stad Istanbul. © occupygezipics.tumblr.com

De protesten begonnen met een relatief kleine betoging tegen het kappen van bomen in het Gezi-park op het Taksimplein in Istanbul, waar de bouw van onder meer een nieuwe moskee gepland staat. Ze zijn echter uitgegroeid tot enorme demonstraties tegen het bewind van de premier Recep Tayyip Erdogan, die al tien jaar aan de macht is. De onvrede van veel Turken over de ‘dictator’ Erdogan sluimert al langer, maar de gewelddadigheid waarmee de betoging op het Taksimplein door de politie met waterkanonnen en traangas neergeslagen werd, lijkt de druppel die de emmer deed overstromen.

Veel demonstranten vrezen dat Erdogan langzaam Turkije in een islamistische dictatuur probeert te veranderen. Zijn recente besluit om de nachtelijke verkoop van alcohol te verbieden, alcoholproducenten adverteren en sponsoring van evenementen te ontzeggen en gebieden rond moskeeën en scholen droog te leggen wordt gezien als een stap richting sharia-wetgeving. De betogers – door Erdogan weggezet als extremisten – bestaan dan ook voor een groot deel uit middenklassers, die weinig zien in een streng-islamitische staat. De ingevoerde alcoholrestricties leidden tot beelden van betogers die massaal blikken bier etaleerden.

Onder de gematigd-islamitische AK Partij van Erdogan, die bij de verkiezingen de helft van de stemmen kreeg, maakte Turkije grote economische groei door. Die welvaart zorgde voor enige speling om diverse, bij de middenklasse onpopulaire, islamitisch getinte wetten in te voeren. Erdogans poging overspel een misdrijf te maken werd na heftige reacties teruggetrokken, maar het censureren van sigaretten op televisie, het verplichten van islamitisch onderwijs en het aanklagen van een pianist voor godslastering vanwege een vrij onschuldige tweet zijn voorbeelden van de steeds prominentere rol die de islam speelt in de samenleving.

Ook de autocratische manier van regeren van Erdogan staat veel demonstranten tegen. Het doordrukken van het plan om het Taksimplein te verbouwen, waarvoor naast het Gezi-park ook een cultureel centrum gewijd aan ‘vader van de Turken’ Mustafa Kemal Atatürk moet wijken, is daarvoor typerend. Maar ook de twijfelachtige processen tegen legerofficieren, die een staatsgreep zouden voorbereidden, kunnen rekenen op afkeuring onder een deel van de bevolking. Ook wil de premier de grondwet wijzigen, waardoor het presidentschap een belangrijkere rol gaat spelen. De door demonstranten dictator genoemde Erdogan hoopt vervolgens in 2014 verkozen te worden tot president.

Een vernielde mediabus in Istanbul, maandag. © Aaron Stein.

Ook de geringe persvrijheid in het land is een factor die meespeelt. Onder Erdogan zijn er veel kritische journalisten achter de tralies beland. De rest van de Turkse media danst daarom volgens de betogers uit angst naar de pijpen van de regering. Hierdoor zouden de protesten zeer weinig aandacht van binnenlandse media krijgen. Terwijl er zondag heftig gevochten werd tussen de politie en demonstranten, zond CNN Türk bijvoorbeeld een documentaire over pinguïns uit. Er werd maandag dan ook geprotesteerd tegen het muilkorven van de pers bij onder meer het gebouw van NTV, een grote Turkse nieuwszender. Diverse mediavoertuigen werden zondagnacht uit woede gesloopt door betogers.

Sommige commentatoren noemen de protesten tegen Erdogans islamisering en autocratisch bestuur nu al de Turkse Lente. Het land beschikt echter voorlopig nog over een democratisch systeem, dus die vergelijking gaat mank. Maar hoewel zijn partij gesteund wordt door een meerderheid van de Turkse bevolking, kan Erdogan zich waarschijnlijk niet doof houden voor de steeds heviger wordende protesten. Als hij geen rekening houdt met de wensen van de gematigde middenklasse, kan zijn regering mogelijk nog wel eens in een lastig parket komen te zitten.

Recensie – Reportages geeft een indrukwekkend beeld van oorlog en armoede

© Joe Sacco.

© Joe Sacco.

Joe Sacco staat op eenzame hoogte in de stripjournalistiek. In zijn nieuwste boek, Reportages, weet hij met zijn kenmerkende, gedetailleerde tekenstijl wederom op overtuigende wijze de ellende van oorlogen en armoede te schetsen.

Reportages is een bundeling van verhalen die Sacco in de loop der jaren voor kranten en tijdschriften heeft gemaakt. De Amerikaanse stripjournalist voert de lezers mee naar onder meer het door oorlog verwoeste Tsjetsjenië, de bezette Gazastrook en een Amerikaanse legerbasis in Irak. Maar ook de schrijnende armoede in India en het Afrikaanse vluchtelingenprobleem in z’n geboorteland Malta komen aan bod.

Sacco, befaamd om zijn bekroonde werk Palestine, is de vaandeldrager van comic journalism. Hij schetst in zijn werken op betrokken wijze de ellende in crisisgebieden. Ook in Reportages brengt hij op indrukwekkende wijze dat lijden in beeld. De hem kenmerkende tekenstijl is uiterst gedetailleerd. De droevige gezichten van ontheemde Tsjetsjeense moeders die hun gehele hebben en houden zijn kwijtgeraakt, spreken boekdelen.

© Joe Sacco.

© Joe Sacco.

Hij fungeert zelf als hoofdpersoon in zijn verhalen, optredend als een slungelige anti-held, wiens ogen schuilgaan achter een brilletje. Zijn aanwezigheid laat zien welke dilemma’s journalisten tegenkomen bij de vergaring van verhalen, maar geeft hem ook de mogelijkheid situaties vanuit de ik-persoon te becommentariëren. Met zijn cynische humor onderstreept hij bijvoorbeeld subtiel de wanstaltige corruptie van een Indiase ambtenaar.

© Joe Sacco.

© Joe Sacco.

Meeslepend is het verhaal over Irak, waar Sacco embedded was bij Amerikaanse mariniers. Zijn nauwkeurige beschrijvingen van de spanning tijdens patrouilles en de wanhoop waarmee de Amerikanen het incompetente Irakese leger proberen te trainen geven een beklemmend beeld van de stroef verlopende oorlog. Het constant dreigende gevaar druipt van de pagina’s als Sacco kil beschrijft hoe de korporaal omkwam die hem de vorige dag nog begeleidde.

© Joe Sacco.

© Joe Sacco.

Sacco’s critici wijzen op de subjectiviteit die inherent is aan tekeningen. Een dergelijk medium zou dan ook niet journalistiek zijn. Sacco checkt echter beweringen, haalt wederhoor en tekent zo waarheidsgetrouw mogelijk. ‘Feiten en subjectiviteit sluiten elkaar niet uit,’ zegt hij in het voorwoord en wijst op de intrinsieke subjectiviteit van alle journalistiek. Hij gebruikt die subjectiviteit bewust als stijlelement, zo krijgt een martelende kampbewaarder een boosaardige grijns.

Sacco’s neemt met zijn slow journalism de tijd om complexe crisissituaties te onderzoeken en verwerkt die verhalen vervolgens nauwgezet tot een feitelijk onderbouwde kroniek. De uitgebreide beschrijvingen van de ellende die oorlog en armoede met zich meebrengen zijn ontroerend en ontluisterend. Reportages is een uitstekend en lezenswaardig voorbeeld van Sacco’s verfrissende en unieke werkwijze.

Joe Sacco / November 2012
De Bezige Bij / Oog & Blik
208 pagina’s / €25,- / Paperback

Focus – Journalistiek in Syrië: een levensgevaarlijke taak

De perskaart van de gisteren gedode Franse journalist Yves Debay. © Blottr

De perskaart van de gisteren om het leven gekomen  Franse journalist Yves Debay. © Blottr

Gisteren kwamen er in Syrië wederom twee journalisten om het leven. Een Al-Jazeera-reporter en een Belgische journalist vonden de dood in het inmiddels al tweeëntwintig maanden durende conflict. Dat brengt het aantal gedode journalisten inmiddels op minstens twintig. In Syrië is journalistiek bedrijven een levensgevaarlijke taak.

Gisteren bracht Al-Jazeera naar buiten dat de 33-jarige verslaggever Mohamed al-Horani eerder die dag om het leven kwam in de Syrische provincie Deraa. Al-Horani versloeg de gevechten aan de frontlinie in het stadje Busra al-Harir voor de Arabische nieuwszender. Terwijl hij vergezeld door rebellen een open plek in de stad probeerde over te steken, nam een sluipschutter van het regeringsleger hem op de korrel. Al-Horani werd door drie kogels geraakt en overleed kort daarna aan zijn verwondingen.

Eerder die dag kwam de Belg Yves Debay om het leven in Aleppo. Debay werd in zijn hoofd getroffen door een kogel afkomstig van een sluipschutter terwijl hij verslag deed van de gevechten in de stad, bevestigde het Syrian Observatory for Human Rights. De 58-jarige Debay deed al jaren verslag van internationale conflicten, zoals de twee Golfoorlogen, de Joegoslavië-oorlog en de Afghanistanoorlog. Hij deed nu voor het Franse magazine Assaut verslag van de Syrische burgeroorlog. Deze twee doden brengen het aantal doden onder journalisten sinds het begin van de opstand in Syrië volgens Reporters Without Borders al op minstens twintig.

De begrafenis van Shukri Ahmed Ratib Abu Burghul. © MediawerkgroepSyrië.

De begrafenis van Shukri Ahmed Ratib Abu Burghul. © MediawerkgroepSyrië.

Door het slepende conflict is het land een van de meest onveilige plekken ter wereld geworden voor journalisten. Sinds de opstand in maart 2011 begon, zijn er talloze journalisten gedood, ontvoerd of gewond geraakt in Syrië. Het aantal gewonde of gedode citizen journalists – amateurfilmers zal waarschijnlijk nog veel hoger liggen. De eerste ‘officiële’ journalist die omkwam tijdens de opstand was Shukri Ahmed Ratib Abu Burghul. De verslaggever voor een radiostation in Damascus werd bij het verlaten van zijn huis onder vuur genomen door strijders en stierf een paar dagen later.

De dood van de Franse journalist Gilles Jacquier, 11 januari 2012, was het begin van een reeks slachtoffers onder westerse journalisten. Jacquier, verslaggever voor de Franse televisie, kwam om bij een mortieraanval op een huis in Homs. Hij werd op dat moment met enkele andere journalisten rondgeleid door regeringssoldaten in de hevig bevochten stad. Ook de Nederlandse fotograaf Steven Wassenaar raakte gewond bij de aanval. De verantwoordelijkheid voor de afgevuurde mortier werd lang betwist, maar uit onderzoek van de Arabische Liga werd echter duidelijk dat de aanval waarschijnlijk door rebellen was uitgevoerd.

22 februari dat jaar kwamen in Homs de ervaren Amerikaanse oorlogsjournaliste Marie Colvin en de Franse fotograaf Remi Ochlik om het leven. De twee stierven nadat regeringstroepen het geïmproviseerde mediacentrum van de opstandelingen onder vuur namen met mortiergranaten. Colvin had niet lang daarvoor nog verslag uitgebracht aan CNN. Volgens onder andere de oorlogsverslaggever Jean-Pierre Perrin had het Syrische leger het mediacentrum bewust als doelwit gekozen en had ze de locatie ervan vastgesteld door het aflezen van telefoonsignalen.

Ook de gerenommeerde Japanse oorlogsfotografe Mika Yamamoto vond de dood in Aleppo. Terwijl ze op 20 augustus met strijders van het Vrije Syrische Leger (FSA) onderweg was in de stad, werd de groep onder vuur genomen door het regeringsleger. Yamamoto werd ondanks haar kogelvrije vest negen keer geraakt, waaronder in haar nek, en overleed niet veel later in een ziekenhuis in de buurt. Haar man en videojournalist Kazutaka Sato raakte gewond bij de aanval. Hij verklaarde later dat Yamamoto omgekomen was nadat regeringstroepen willekeurig het vuur hadden geopend.

Maar ook veel Syrische journalisten zijn om het leven gekomen in de tweeënwintig maanden durende opstand. De aanval op het regeringsgezinde TV-station Al-Ikbhbaria, 27 juni, kostte zeven lokale journalisten het leven. De Syrische televisiepresentator Mohammed al-Saeed werd 19 juli 2012 ontvoerd en later geëxecuteerd door het radicaal-islamitische al-Nusrafront. En ook het hoofd van het Syrische staatspersbureau SANA, Ali Abbas, werd 11 augustus vlak buiten zijn huis in Jdaidet Artuz in koelen bloede vermoord.

Ook Maya Nasser, verslaggever voor het Iraanse staatstelevisiestation PressTV, kwam om door een kogel afkomstig van een sluipschutter van de rebellen. Hij deed 26 september in Damascus verslag van explosies bij het hoofdkantoor van het Syrische leger op het Umayyad Square, toen hij  fataal in zijn nek werd getroffen. De PressTV-journalist Hussein Murtada werd bij de aanval door een kogel in zijn been getroffen. Het Iraanse televisiestation sprak schande van het tot doelwit maken van hun medewerkers door de rebellen.

En dan zijn de diverse ontvoerde journalisten nog niet genoemd. Onder andere de westerse oorlogsjournalisten James Foley en Austin Tice worden op dit moment nog vermist in Syrië. Van Tice is enige tijd geleden een beklemmende video opgedoken, waarin hij omringd door wat islamitische strijders lijken om genade smeekt. De Amerikaanse NBC-journalist Richard Engel had meer geluk. Hij werd afgelopen december met twee leden van zijn crew ontvoerd door een regeringsgezinde militie, maar wist na enkele dagen te ontsnappen. Reporters Without Borders schat dat er nog 21 ‘officiële’ journalisten gegijzeld worden in het land.

Reporters Without Borders houdt een voorzichtige telling bij van het aantal gedode en gegijzelde journalisten in Syrië. © RWB.

Reporters Without Borders houdt een voorzichtige telling bij van het aantal gedode en gegijzelde journalisten in Syrië. © RWB.

Er lijkt voorlopig nog geen einde in zicht voor de burgeroorlog die inmiddels al meer dan 60.000 levens heeft gekost. Met de dood van de twee journalisten gisteren tikt de dodenteller van Reporters Without Borders gestaag verder. Gezien de slepende aard van het conflict is het is dan ook zeer de vraag of Debay en al-Horani de laatste journalisten zijn die in Syrië de dood zullen vinden.

Focus – Deel 3: Hoe drones het Midden-Oosten veroveren

De conflicten in het Midden-Oosten hebben de aandacht gevestigd op een nieuwe vorm van hightech oorlogsvoering: drone-warfare. Vooral het gebruik van onbemande vliegtuigen heeft letterlijk en figuurlijk een enorme vlucht genomen sinds de Verenigde Staten in 2008 besloten het gebruik van bewapende drones te intensiveren in Afghanistan en Pakistan. Het Midden-Oosten is tegen wil en dank het toneel van een veranderende oorlogsvoering.

Het vizier van een Amerikaanse Reaper-drone. © Getty Images.

Het vizier van een Amerikaanse Reaper-drone. © Getty Images.

Vandaag in deel drie: De gevaren en gevolgen van de drone-warfare in het Midden-Oosten.

Gevolgen van de drone-strikes in het Midden-Oosten
De talrijke aanvallen met Amerikaanse Unmanned Aerial Vehicles (UAV’s), onbemande vliegtuigen, hebben kwaad bloed gezet bij de bevolkingen van de getroffen landen. De Verenigde Staten claimen door de aanvallen met onbemande toestellen een onmisbaar tactisch voordeel te hebben en zeggen dat het aantal burgerslachtoffers minimaal is. Het overwicht op het Afghaans-Pakistaanse slagveld zou mede door de gerichte liquidaties met drones in stand gehouden worden. Zoals vermeld in deel één komt uit cijfers van het Engelse Bureau of Investigative Journalism (BIJ) echter een ander beeld naar voren.

Cijfers van de NAF over het aantal uitgevoerde drone-aanvallen in Pakistan. © Wikipedia.

Cijfers van de NAF over het aantal uitgevoerde drone-aanvallen in Pakistan. © Wikipedia.

Uit hun van 24 oktober 2012 daterende cijfers blijkt dat het aantal Amerikaanse drone-strikes in Pakistan op 350 wordt geschat. Het BIJ schat dat bij die 350 aanvallen tussen de 2.586 en 3.375 slachtoffers zijn gevallen. Van dat totale aantal zijn er minimaal 472 en maximaal 885 burgerslachtoffers, waarvan zo’n 176 kinderen. Er vallen bij de drone-aanvallen dus wel degelijk onschuldige slachtoffers, ondanks de pinpoint-precisie die de Amerikanen toekennen aan de aanvallen met UAV’s. Maar aangezien veel van de aanvallen plaatsvinden in het kader van het geheime CIA-programma, doet de Amerikaanse regering geen mededelingen over de exacte slachtoffercijfers en toedracht van de aanvallen.

De nauwkeurigheid van de drones valt dus te betwisten. Militair historicus Christ Klep zegt in een uitzending van KRO Reporter: “Dingen gaan altijd mis. Stel, je denkt dat je een Al-Qaeda-strijder in de hoek hebt gedreven in een boerderij. Wat is er dan logischer dan daar een raket op af te sturen? En juist op het moment dat die raket gaat inslaan, of het nou een piloot of een onbemand toestel is die hem afvuurt, komt z’n vrouw de deur uit. Wat doe je dan? De scenario’s blijven hetzelfde, dan kan je wel 10 centimeter nauwkeuriger zijn dan een bemand toestel, maar de impact is natuurlijk hetzelfde.”

Een Amerikaanse Predator-drone. © Getty.

Een Amerikaanse Predator-drone. © Getty.

Experts verschillen van mening, maar de algemene opvatting is dat de targeted killings het internationale recht schenden. De liquidaties ontnemen de verdachten een kans op een proces. Zo zegt Jameel Jaffer van de American Civil Liberties Union (ACLU) in de BBC-documentaire The Secret War on Terror: “Dit is een ontzagwekkende kracht. De kracht om iemand als vijand te labelen en vervolgens omdat je die persoon als vijand hebt aangemerkt, hem mag liquideren zonder vorm van juridisch proces.” Oud-president van Pakistan Pervez Musharraf zegt in dezelfde uitzending: “Ze zullen vast de juiste doelwitten raken. Maar er is ook het probleem van nevenschade: het doden van burgers. En daarnaast de schending van onze territoriale integriteit en soevereiniteit.”

Ook onder de Pakistaanse bevolking is inmiddels grote woede ontstaan over de aanhoudende drone-aanvallen binnen hun landsgrenzen. Onder meer in oktober waren er grote demonstraties tegen de aanvallen in hoofdzakelijk Waziristan, het grensgebied waar veel Al-Qaeda- en Talibanstrijders zich schuilhouden. Bij de gigantische demonstratie voor politieke hervormingen en rechten deze week in Islamabad, klonk ook de roep tot het stoppen van de drone-aanvallen, die ‘onwettig en illegaal’ zouden zijn. En zelfs ‘contra-productief’ omdat de strikes een vruchtbare voedingsbodem voor radicalisering zouden creëren.

De Iraanse Karrar-drone is in staat op hoge snelheid doelwitten te bombarderen. © RT.

De Iraanse Karrar-drone is in staat op hoge snelheid doelwitten te bombarderen. © RT.

Daarnaast heeft het drone-programma van de VS, in combinatie van de opkomst van onbemande militaire machines in Israël, een wapenwedloop in gang gezet met Iran en zijn bondgenoot Hezbollah. Zoals in deel twee vermeld bouwt Iran gestaag aan zijn steeds moderner wordende drone-vloot, terwijl het land ook UAV’s exporteert naar partners als Hezbollah, Syrië en Venezuela. Nathan Wessler van de ACLU zegt in KRO Reporter: “Het baart zorgen dat de VS een precedent schept. De VS gebruikt drones om overal ter wereld mensen te doden. Ze zouden niet blij zijn als landen als Rusland, China of Iran hetzelfde zouden doen en hier in de VS Amerikaanse staatsburgers doodden.”

De toekomstige gevaren van drone-warfare

Een Amerikaanse militair lanceert een Raven-verkenningsdrone in Afghanistan. © AP.

Een Amerikaanse militair lanceert een Raven-verkenningsdrone in Afghanistan. © AP.

En het gebruik van drones zal de komende jaren sterk toenemen. Volgens een rapport van het Amerikaanse Congres heeft het Department of Defense sinds 2001 26 miljard dollar geïnvesteerd in de ontwikkeling van op afstand bestuurbare voer-, vlieg- en vaartuigen. Dat gigantische bedrag geeft aan op welke schaal onder meer het Amerikaanse Defense Advanced Research Projects Agency (DARPA) onderzoek kan doen naar nieuwe onbemande militaire technologie. De VS is nog onduidelijk over of ze na 2014 in Afghanistan een ondersteunende troepenmacht aanhouden. Het is echter waarschijnlijk dat het drone-programma boven Afghanistan na 2014 wél in stand gehouden wordt.

In deel één kwamen al de diverse hightech drone-toepassingen van Israël en de VS naar voren. De ontwikkeling van steeds modernere Iraanse drones is dan ook begrijpelijk. Maar volgens experts is de volgende stap in deze razendsnelle wapenwedloop de ontwikkeling van autonoom handelende machines. Onbemande toestellen die onafhankelijk van menselijke besturing kunnen handelen en mogelijk zelfs ooit doden. Bepaalde militaire drones hebben al een zekere mate van autonomie. Zo kan de Israëlische Guardium UGV zelf een vooraf vastgesteld gebied patrouilleren en ontwikkelt de VS zeegaande drones die zelfstandig wateren afspeuren naar duikboten. De mogelijkheid tot eventueel dodelijk geweld ligt voorlopig echter nog altijd bij een menselijke bestuurder.

Human Rights Watch (HRW) noemt dit in een rapport een extreem gevaarlijke ontwikkeling. Steve Goose, directeur van de wapenafdeling van HRW, zei vorig jaar: “Als we machines laten beslissen over leven en dood, zijn we te ver gegaan met technologie.” Hij riep op tot een internationaal verdrag waarbij de ontwikkeling en inzet van autonoom handelende machines verboden wordt. Wessler: “Als kunstmatige intelligentie beter en acceptabeler wordt, met vliegtuigen die zelfstandig vliegen, zonder dat er een operator meekijkt, die raketten afvuren naar eigen inzicht, is het goed mogelijk dat er een escalatie komt van de technologie.”

Een Amerikaanse SWORDS-grondrobot. © Popular Mechanics.

Een Amerikaanse SWORDS-grondrobot. © Popular Mechanics.

Dus het lijkt er op dat er de komende jaren meer soorten drones op het slagveld verschijnen. Sinds de VS in 2007 de zwaarbewapende grondrobot SWORDS in Irak inzette, speelt het Amerikaanse leger speelt meer en meer met het idee om militaire taken uit te besteden aan (bewapende) grondrobots. En DARPA is hard op weg een autonome drone te ontwikkelen voor het sjouwen van zware militaire bagage. De in functie en uiterlijk op een pakezel lijkende Big Dog kan zelfstandig een lopend persoon volgen, zelfs op moeilijk terrein. Het ‘denkniveau’ van de machine is verbazingwekkend. Zo weet de robot zichzelf te corrigeren als hij uitglijdt of een duw krijgt.

De wapenwedloop die deze ontwikkeling teweeg brengt in het Midden-Oosten is zorgelijk. Naast Iran beschikken steeds meer landen in de Arabische wereld over militaire drones en ook de eigen ontwikkeling ervan wordt steeds meer opgepikt. De invloed die deze kentering zal hebben op de militaire verhoudingen in het gebied kan zeer zorgelijk zijn als er geen heldere afspraken worden gemaakt. De tijd dat het Amerikaanse drone-programma onaantastbaar in de schaduw kon opereren is verdwenen nu andere landen in hoog tempo eigen militaire drones ontwikkelen. De inzet van autonoom denkende machines voor oorlogsacties lijkt steeds dichterbij te komen. HRW maakt een belangrijk punt door te wijzen op het belang van internationale afspraken. Christ Klep: “Een militair moet altijd precies weten wat hij doet. Als je die verantwoordelijkheid voor 90 procent overlaat aan een autonoom denkende robot, heb je een probleem. Dan heb je op z’n minst nieuwe regelgeving nodig.”

Focus – Frankrijks vergissing in Afrika: ‘François Hollande, was dit het waard?’

De Somalische terreurbeweging Al-Shabab twitterde vandaag foto's van een dode Franse commando. © Twitter.

De Somalische terreurbeweging Al-Shabaab twitterde vandaag foto’s van een dode Franse commando. © Twitter.

Nadat Frankrijk vrijdag een interventiemacht naar Mali stuurde, werd die nacht een reddingsoperatie in Somalië op touw gezet. De actie werd een echec. De gegijzelde Franse geheim agent Denis Allex kwam waarschijnlijk om, alsmede twee Franse commando’s. De strijd tegen islamitische extremisten in Afrika blijkt zwaarder dan verwacht. 

Eerder vandaag twitterde een vertegenwoordiger van de Somalische terreurbeweging Al-Shabaab (@HSMpress) meerdere foto’s van het lijk van een Franse militair. De commando is een van de twee militairen die omkwamen bij de reddingsoperatie van de gegijzelde Denis Allex in het zuidelijk gelegen stadje Bulo Marer. Allex werd in 2009 ontvoerd door Al-Shabaab terwijl hij als Franse geheim agent in Mogadishu werkzaam was. Bij de foto’s stond onder meer de aan de Franse president gerichte boodschap: ‘François Hollande, was dit het waard?’

De Franse minister van Defensie Jean-Yves le Drian bevestigde dat de actie is uitgelopen op een mislukking; Allex en twee Franse militairen zouden omgekomen zijn. Het aan Al-Qaeda gelieerde Al-Shabaab claimde op Al-Jazeera luidkeels de overwinning. Volgens de woordvoerder van de terreurbeweging zou Allex echter nog ‘in leven zijn en ver van de plek van de aanval’. Volgens de woordvoerder kwamen er bij de reddingsoperatie slechts twee militanten van Al-Shabaab om, volgens Frankrijk zijn dat er echter zeventien.

Volgens Al-Shabaab troffen rebellen de gefotografeerde militair zwaargewond aan, achtergelaten door z’n eigen gevluchte troepen. De terreurbeweging zou de gewonde commando nog medische bijstand hebben verleend voordat hij stierf. De man zou volgens de woordvoerder nog ‘nuttige informatie’ hebben verstrekt aan de militante Somaliërs. Zoals de Franse minister van Defensie al vreesde, verspreidde Al-Shabaab vandaag triomfantelijk lugubere foto’s van de dode militair en zijn uitrusting.

De foto's van de dode commando en zijn uitrusting die de Somalische terreurbeweging Al-Shabab vandaag twitterde. © Twitter.

De foto’s van de dode commando en zijn uitrusting die de Somalische terreurbeweging Al-Shabaab vandaag twitterde. © Twitter.

De mislukte reddingsoperatie baart ook zorgen voor andere gijzelaars in de regio. In Noord-Mali worden door eveneens aan Al-Qaeda gelieerde groepen zeven Franse gijzelaars vastgehouden. Ook de Nederlander Sjaak Rijke wordt al meer dan een jaar in Mali vastgehouden. De Franse luchtmacht kwam in Mali vrijdagnacht tegelijkertijd in actie om de zeven gijzelaars te ontzetten, hetgeen mislukte. Waarschinlijk staat hen een hachelijke dood te wachten, uit vergelding voor de interventie in het noorden, waarmee Frankrijk de opmars van islamitische rebellen een halt toe probeert te roepen.

De beelden van Amerikaanse militairen die in 1993 door de straten van Mogadishu werden gesleurd gingen de hele wereld over. © Toronto Star.

De schokkende beelden van Amerikaanse militairen die in 1993 door de straten van Mogadishu werden gesleurd gingen de hele wereld over. © Toronto Star.

De acties roepen herinneringen op aan eerdere mislukte interventies. De VN-interventie in Somalië verliep dramatisch, vooral toen in 1993 tijdens de Slag om Mogadishu een Amerikaanse Black Hawk-helikopter werd neergehaald. Schokkende beelden van naakte Amerikaanse militairen die triomfantelijk door de straten van Mogadishu werden gesleurd gingen de wereld over. De mislukte VN-interventie zorgde voor jarenlange terughoudendheid  van het Westen inzake militair optreden in de door rebellen geteisterde regio.

Maar nu het noorden van Mali de nieuwe thuisbasis lijkt te worden van extremistische groeperingen zoals Ansar Dine en Al-Qaeda in de Islamitische Maghreb (AQIM), lijkt een westerse interventie onvermijdelijk. Het ironische is dat het conflict in Mali voor een belangrijk deel veroorzaakt is door westers ingrijpen in Libië, waarin ook de rol van Frankrijk niet gering was. Door de westerse interventie in Libië trokken vele door Khadaffi ingehuurde Toearegs terug naar Mali, mét hun wapens. Mali verviel vervolgens in wanorde. De Toearegs grepen de macht in het noorden, maar werden al snel verdreven door de islamitische extremisten. 

De vrees is dat de regio door nieuwe westerse inmenging afglijdt richting verdere chaos. In meer of mindere mate aan elkaar gelieerde extremistische groeperingen in de regio – Boko Haram in Nigeria, Al-Shabaab in Somalië, Ansar Dine en AQIM in Mali – zijn een groot gevaar als ze nauwer gaan samenwerken tegen het Westen en zijn partners. Frankrijk heeft al aangegeven dat de rebellengroepen in Mali onverwacht goed bewapend, getraind, vastberaden en gehard door de strijd zijn. De nederlaag in Somalië zaterdagochtend toont aan dat de Fransen de militaire slagkracht van de extremistische bewegingen sterk hebben onderschat.

Strijders van de extremistische groepering Ansar Dine. © Reuters.

Strijders van de extremistische groepering Ansar Dine. © Reuters.

Frankrijk hoopt de militaire interventie te kunnen beperken tot enkele weken. Zoals het er nu op lijkt is dat een veel te optimistische verwachting. De islamitische rebellen blijken over het algemeen stugger dan verwacht. Vanmiddag hebben de rebellen zelfs de stad Diabaly op het Malinese leger veroverd. Het gevaar dat op de loer ligt is dat Frankrijk en mogelijke partners een langdurige en uitputtende strijd ingetrokken worden. Een war of attrition – slijtageslag – met diverse militante groepen uit de omringende landen.

Focus – Mine Kafon: ingenieuze oplossing voor het Afghaanse mijnenprobleem

Kunstenaar Massoud Hassani met zijn Mine Kafon. © HP/De Tijd.

Kunstenaar Massoud Hassani met zijn Mine Kafon. © HP/De Tijd.

Dinsdag zat kunstenaar Massoud Hassani aan tafel bij Pauw & Witteman om zijn Mine Kafon te presenteren. De in Afghanistan geboren ontwerper heeft een vindingrijke oplossing bedacht voor het ernstige mijnenprobleem in zijn land.

De Mine Kafon ziet er op het eerste gezicht uit als een grote bal met vreemde uitsteeksels. De bol heeft een zwarte kern, waaruit honderdvijftig bamboestokken met plastic schijven steken. De bol is licht genoeg om door de wind aangedreven te worden, maar zwaar genoeg om een landmijn tot ontploffing te brengen. Het vernuftige ontwerp is bedoeld om een lowbudget oplossing te bieden voor het mijnenprobleem in Afghanistan.

Hassani was in zijn kindertijd woonachtig aan de rand van de Afghaanse hoofdstad Kabul. Hij zat daar op een schooltje in een buitenwijk. “Normaal krijg je dan lessen als wiskunde en talen. Maar wij kregen lessen over landmijnen, dus ik ken ze allemaal. Ik weet hoe ik ze moet openmaken, omdat ze elke dag aanwezig waren op onze speelplaats,” zei Hassani vorige maand op het podium van TEDx Utrecht.

Voorbeelden van het windaangedreven speelgoed dat Hassani maakte als kind in Afghanistan. © Core77.

Voorbeelden van het windaangedreven speelgoed dat Hassani maakte als kind in Afghanistan. © Core77.

Als kind was hij al in de weer met het bouwen van speelgoed. Van afval en papier bouwde Hassani kleine bolletjes die door de wind aangedreven werden. In de afgelegen Afghaanse woestijn aan de outskirts van Kabul was er wind genoeg, maar helaas ook talloze landmijnen, veelal daterend uit de tijd van de oorlog met Sovjet-Rusland. Het gebeurde dan ook regelmatig dat een van zijn speeltjes in een mijnenveld belandde. Met zijn vriendjes ging hij ook geregeld op zoek naar oud militair materiaal om mee te spelen.

Toen hij op zijn veertiende naar Nederland vertrok kwam hij uiteindelijk terecht op de Design Academie Eindhoven. Geïnspireerd door zijn jeugdige avonturen in de Afghaanse woestijn begon hij met het ontwikkelen van een simpele en goedkope oplossing voor de talloze mijnen in het land, gebaseerd op zijn windaangedreven kinderspeelgoed. De huidige methoden om landmijnen te verwijderen zijn veelal duur en zeer gevaarlijk.

Het ontwerp van de Mine Kafon is relatief eenvoudig. Lokale inwoners moeten in staat zijn de Kafon zelf in elkaar te zetten. © Artsthread.

Het ontwerp van de Mine Kafon is relatief eenvoudig. Lokale inwoners moeten in staat zijn de Kafon zelf in elkaar te zetten. © Artsthread.

De Mine Kafon werd geboren, afkomstig van het Perzische woord kafondan, wat ‘iets dat ontploft’ betekent. De bal vangt door de uitsteeksels wind, begint daardoor te rollen en brengt door zijn gewicht mijnen tot ontploffing. Omdat er door de explosie maar enkele poten sneuvelen is de Kafon in staat meerdere mijnen in één run te ruimen. De kern van de bal blijft onbeschadigd en is herbruikbaar, waardoor alleen de poten vervangen moeten worden, hetgeen de kosten aanzienlijk drukt.

Als de Mine Kafon over een mijn rolt, sneuvelen bij de explosie slechts enkele poten, waardoor de bal meerdere mijnen kan ruimen. © Helablog.

Als de Mine Kafon over een mijn rolt, sneuvelen bij de explosie slechts enkele poten, waardoor de bal meerdere mijnen kan ruimen. © Helablog.

“Als je nu de hele wereld wil verschonen van landmijnen kost dat zo’n 300.000 miljoen euro. Als je de Kafon vergelijkt met die bestaande technologie zou dat zo’n 120 keer goedkoper worden, omdat je met één bal drie mijnen kan opruimen,” zei Hassani bij TEDx. Als de Mine Kafon volledig uitontwikkeld is zal de mijnenvegende bal ongeveer veertig euro moeten gaan kosten. De bal zal dan in kant-en-klare gedeeltes worden geleverd aan de lokale bevolking, die de Mine Kafon eenvoudig in elkaar kunnen zetten.

De eerste test die Hassani uitvoerde in combinatie met de Explosieven Opruimingsdienst liet weinig over van zijn prototype. © Designforimpact.

De eerste test die Hassani uitvoerde in combinatie met de Explosieven Opruimingsdienst liet weinig over van zijn prototype. © Designforimpact.

De Mine Kafon is meerdere malen herzien, onder andere om het ideale gewicht vast te stellen. De eerste test die Hassani in samenwerking met de Explosieven Opruimingsdienst uitvoerde werd fataal voor zijn prototype, dat door de zware explosie volledig aan gruzelementen ging. “Daar ging ons twee jaar werk,” zei Hassani’s broer Mahmud bij Pauw & Witteman. Het ontwerp werd aangepast en lichter gemaakt. De poten van de Kafon oefenen nu hetzelfde gewicht uit als een menselijke voet, waardoor het aantal poten dat sneuvelt bij een explosie zo laag mogelijk blijft en de bal duurzamer wordt.

De Kafon is ook uitgerust met een GPS-systeem in de kern. Dat systeem slaat de route op die de bol door een bepaald gebied aflegt, wat vervolgens af te lezen is met een GPS-ontvanger. “Elke smartphone is daartoe in staat,” aldus Hassani. Met deze functie valt precies in kaart te brengen waar reeds mijnen geruimd zijn en welke gebieden eventueel dus nog gevaarlijk zijn, waardoor een systematische aanpak gemakkelijker wordt.

Hassani zat aan tafel bij Pauw & Witteman om aandacht te vragen voor zijn crowdfunding-actie. Met donaties van geldschieters probeert hij 123.000 euro bij elkaar te krijgen om zijn ontwerp verder te kunnen testen en verfijnen. Hij heeft in samenwerking met filmmaker Callum Cooper een korte documentaire gemaakt om de Mine Kafon verder onder de aandacht te brengen.

Mocht u willen bijdragen aan de verdere ontwikkeling van het ingenieuze en idealistische project van Massoud Hassani, dan kunt u doneren via Kickstarter.

De korte documentaire van Callum Cooper over de Mine Kafon:

Verslag – ‘De watersituatie in de Jordaanvallei is dramatisch’

Donderdagavond sprak de Italiaanse masterstudente Sara Datturi in de Kargadoor in Utrecht over de waterverdeling in de bezette Palestijnse gebieden. Voor haar scriptie deed ze onderzoek naar het waterverbruik in de Jordaanvallei op de Westelijke Jordaanoever.

De Italiaanse masterstudente Sara Datturi sprak over de waterverdeling in de Palestijnse gebieden. © David Oranje 2012.

De Italiaanse masterstudente Sara Datturi sprak in de Kargadoor in Utrecht over de waterverdeling in de Palestijnse gebieden. © David Oranje 2012.

Op uitnodiging van Kritische Studenten Utrecht kwam de Italiaanse land- en watermanagementstudente Sara Datturi vertellen over haar ervaringen in de Palestijnse gebieden. Voor haar scriptie verbleef ze meerdere maanden op de Westelijke Jordaanoever om het waterverbruik daar te onderzoeken. Ze vergeleek de beschikbaarheid en het gebruik van water van Palestijnse dorpen op de Westelijke Jordaanoever met dat van Israëlische nederzettingen. “Ik wilde beide kanten zien, de Israëlische en de Palestijnse.”

“Na de oorlog in 1967 is de Westelijke Jordaanoever opgedeeld in 3 delen: Area A, B en C,” vertelt Datturi. Het Palestijnse stadje Al-Auja ligt in de Jordaanvallei in Area A, nabij Jericho. Grote stukken land in de vallei zijn tot verboden gebied verklaard voor Palestijnen, waardoor water- en landbouwvoorzieningen verdwenen zijn. Het agrarische stadje Al-Auja heeft in de buurt vier waterbronnen liggen, maar daarvan is er slechts één eigendom van de Palestinian Water Authority, de anderen zijn bestemd voor Israëlisch gebruik. Er is daardoor steeds minder water voor het verbouwen van gewassen. “De situatie is dramatisch.”

Een film over de situatie van de Palestijnen in de Jordaanvallei.

“De mensen daar houden van landbouw en willen verbonden blijven met hun land. Ze zijn afhankelijk van het verbouwen van gewassen. Nu hebben ze geen water en geen inkomen. Hun beslissing om daar te blijven is een soort verzetsdaad,” zegt Datturi. De Palestijnen uit Al-Auja betalen dan ook uit verzet niet meer voor het gebruik van drinkwater. De Palestinian Water Authority moet echter dat achterstallige bedrag wel betalen aan de Israëliërs, die die watervoorziening beheren.

Het gebrek aan water in Al-Auja vergeleek Datturi met de beschikbaarheid van drink- en irrigatiewater in de Israëlische kibboets Niran. De landbouwnederzetting had in 2006 enkel tachtig inwoners en ligt in bezet gebied in Area C op de Westelijke Jordaanoever. Datturi verbleef in Niran met een vals identiteitsbewijs om de waterverdeling te onderzoeken: “Ze kunnen er zoveel water gebruiken als ze willen en ze hebben het land gekregen van de regering.” In Niran was dan ook een bloeiende landbouwindustrie te vinden.

Daarnaast onderzocht ze ook het kleine Palestijnse dorpje Fasa’il en de Israëlische nederzetting Tomer. De twee gemeenschappen liggen in het bezette Area C en vallen dus onder Israëlisch gezag. Fasa’il – dat in 2007 bekend werd omdat Israël de basisschool in het dorp wilde slopen omdat die zonder bouwvergunning was gebouwd – kampt al jaren met de vernieling van huizen door de Israëlische autoriteiten, meestal om bovenstaande reden. Daarnaast zijn vrijwel alle voorzieningen, inclusief het broodnodige water, in het dorp schaars.

De Israëlisch nederzetting Tomer en het Palestijnse dorpje Fasa'il liggen op slechts 200 meter afstand. © Google Maps.

De Israëlische nederzetting Tomer en het Palestijnse dorpje Fasa’il liggen op slechts 200 meter afstand. © Google Maps.

Dat staat in schril contrast met Tomer, dat op amper tweehonderd meter afstand van Fasa’il ligt. Nagenoeg alle inwoners van Fasa’il zijn dan ook werkzaam in Tomer, dat dadels, kruiden en groenten verbouwt voor de buitenlandse export. Datturi was er niet welkom. “Mensen wilden me geen informatie geven en niet helpen. Andere Europeanen hadden Tomer een slechte naam gegeven,” aldus Datturi. Maar gezien de vele kassen die direct zichtbaar zijn in de nederzetting, kon ze wel raden dat Tomer zeer veel water moest verbruiken. “Ze krijgen voor die landbouw een heleboel subsidie van de Israëlische regering.”

Datturi wil tenslotte ook nog even het werk van CISS, een Italiaanse NGO, onder de aandacht brengen. De NGO werkt met kinderen met oorlogstrauma’s in de Palestijnse gebieden, Datturi: “En daar zijn er heel veel van.” CISS is voornamelijk actief in het Jabalia-vluchtelingenkamp in de Gazastrook, waar ze met een psycholoog getraumatiseerde kinderen proberen te helpen. Datturi benadrukt de noodzaak van hulp aan de getraumatiseerde kinderen: “Door angst kunnen sommige kinderen niet slapen, bij sommigen valt hun haar uit. CISS maakt spelletjeskamers voor de kinderen en verzorgt ook lessen in lezen en schrijven voor de moeders.”

Een film uit 2008 over het gebrek aan water in El-Farsia, een dorpje in de Jordaanvallei.

Focus – Deel 2: Hoe drones het Midden-Oosten veroveren

De conflicten in het Midden-Oosten hebben de aandacht gevestigd op een nieuwe vorm van hightech oorlogsvoering: drone-warfare. Vooral het gebruik van onbemande vliegtuigen heeft letterlijk en figuurlijk een enorme vlucht genomen sinds de Verenigde Staten in 2008 besloten het gebruik van bewapende drones te intensiveren in Afghanistan en Pakistan. Het Midden-Oosten is tegen wil en dank het toneel van een veranderende oorlogsvoering.

Vandaag in deel twee: Het Iraanse antwoord op het drone-vraagstuk.

De in december door Iran buitgemaakte Amerikaanse ScanEagle-drone. © Press TV.

De in december door Iran buitgemaakte Amerikaanse ScanEagle-drone. © Press TV.

Nadat het Westen zich de afgelopen decennia op wapengebied razendsnel ontwikkelde, was Iran erop gebrand niet achter te blijven. De Iraniërs verkeren sinds de Islamitische Revolutie en de gijzeling van de Amerikaanse ambassade in Teheran in 1979 op slechte voet met het Westen. De daarna opgelegde sancties dwongen het land toen de Iran-Irak-oorlog uitbrak wapens te betrekken van onder meer Noord-Korea en de Sovjet-Unie. Door het kwalitatief slechte wapentuig dat Iran geleverd kreeg door het Warschau-pact, besloot de islamitische republiek zijn eigen wapenindustrie op te zetten.

De Iraanse Mohajer-4. © Navaldrones.com

De Iraanse Mohajer-4. © Navaldrones.com

Iran is dan ook grotendeels zelfvoorzienend geworden in zijn bewapening. Het land produceert inmiddels veel geavanceerde wapens, van de Fajr-raketten die Hamas gebruikte in het recente conflict in de Gazastrook tot de aanvalshelikopter Shahed 285. En ook op het gebied van drone-technologie timmert Iran stevig aan de weg. De ontwikkeling van Unmanned Aerial Vehicles (UAV) werd al tijdens de Iran-Irak-oorlog door de Iraniërs in gang gezet. Rond 1985 ontwikkelde Iran al het eerste prototype van de Mohajer-drone.

Het model is inmiddels vier keer herzien. De Mohajer-4 heeft een actieradius van 150 kilometer en is in staat om zeven uur in de lucht te blijven. Iran heeft de drones al naar diverse landen geëxporteerd, onder meer Soedan, Syrië en Venezuela hebben op de Mohajer gebaseerde UAV’s. Toen op 7 november 2004 een op de Mohajer lijkende Mirsad-1 Israël binnenvloog en in zee stortte bleek ook het aan Iran gelieerde Hezbollah drones te hebben. In 2006 ramde een met explosieven geladen drone van Hezbollah vlak voor de kust van Beirut een Israëlisch marineschip, dat daarbij zwaar beschadigd raakte.

Revolutionaire Garde-commandant Amirali Hajizadeh bekijkt de buitgemaakte RQ-170. © Reuters.

Revolutionaire Garde-commandant Amirali Hajizadeh bekijkt de buitgemaakte RQ-170. © Reuters.

Iran zegt bij de ontwikkeling van nieuwe technologie ook gebruik gemaakt te hebben van buitgemaakte Amerikaanse UAV’s. In 2011 toonde de Iraanse staatstelevisie een Amerikaanse RQ-170 spionagedrone. Het stealthtoestel was vrijwel onbeschadigd naar beneden gehaald, volgens sommige bronnen door in te breken op de satellietverbinding waarmee de drone bestuurd werd. Het uit elkaar halen van het toestel – met de bijnaam ‘Beast of Kandahar‘ – heeft de Iraniërs waarschijnlijk nuttige informatie opgeleverd over de geavanceerde uitrusting van de Amerikaanse drones.

Vorige maand toonde Iran een tweede buitgemaakte Amerikaanse UAV, dit keer een ScanEagle – ook in gebruik bij de Nederlandse strijdkrachten. Het met krachtige camera’s en sensoren uitgeruste toestel was vermoedelijk in Iran om het nucleaire programma te bespioneren, toen het werd neergehaald. De Iraanse Revolutionaire Garde liet de intacte drone triomfantelijk op televisie zien. Het toestel vertoonde echter geen enkele Amerikaanse tekens.

Een Iraanse commandant onthult de Shahed 129. © Press TV.

Een Iraanse commandant onthult de Shahed 129. © Press TV.

De islamitische republiek heeft de afgelopen paar jaar meerdere nieuwe drones gepresenteerd. Zo onthulde de Iraanse president Mahmoud Ahmadinejad in 2010 met veel vertoon de Karrar. Het toestel zou in staat zijn op hoge snelheid doelwitten te raken met zware raketten. Daarna verscheen enige tijd geleden de Shahed 129, een geavanceerde gevechts- en verkenningsdrone met een maximale vliegtijd van 24 uur en een actieradius tussen 1700 en 2000 kilometer. De UAV – die erg op de Israëlische Hermes 450 lijkt – draagt de ultralichte Iraanse Sadid-1 anti-scheepsraketten.

In februari 2011 kondigde Iran echter aan de Sofreh Mahi te gaan bouwen en testen. Een schaalreplica van het geheimzinnige toestel was tijdens een militaire parade in 2010 al opgedoken. De diamantvorm van het toestel en radar-absorberende coating duiden op een geavanceerde stealthdrone. Er is weinig bekend over het project, maar vermoedelijk zullen de Iraniërs eventuele kennis ontleend aan de buitgemaakte Amerikaanse drones proberen toe te passen op de Sofreh Mahi.

Het vermoedelijke uiterlijk van de Sofreh Mahi. © Wikipedia.

Het vermoedelijke uiterlijk van de Sofreh Mahi. © Wikipedia.

Afgelopen oktober wist Hezbollah met een UAV succesvol het Israëlische luchtruim te penetreren. De Ayoub-drone wist over zee en de Gazastrook Israël binnen te vliegen, richting het nucleaire onderzoekscentrum Dimona in de Negev-woestijn. De UAV werd uitgeschakeld voor hij in de buurt van Dimona kon komen, maar zorgde toch voor grote ongerustheid. Dat een vijandig toestel nagenoeg ongehinderd door kon dringen tot een zwaarbewaakte kernwapenfaciliteit is erg zorgwekkend en toont aan dat Israël de drones van Hezbollah en Iran ernstig onderschatte.

Later deze week in deel 3: De gevaren en gevolgen van de drone-warfare in het Midden-Oosten.

Interview – Martin Broek: ‘De Syrische burgeroorlog leidt niet tot een conclusie’

Onderzoeksjournalist Martin Broek is auteur van meerdere publicaties over de internationale wapenhandel, SP-fractiemedewerker in de Tweede Kamer geweest op Defensieterrein en heeft zich jarenlang ingespannen voor de Campagne tegen Wapenhandel. © Martin Broek.

Onderzoeksjournalist Martin Broek is auteur van meerdere publicaties over de internationale wapenhandel, SP-fractiemedewerker in de Tweede Kamer geweest op Defensieterrein en heeft zich jarenlang ingespannen voor de Campagne tegen Wapenhandel. © Martin Broek.

De burgeroorlog in Syrië is dit jaar zijn tweeëntwintigste maand ingegaan. Het bloedige conflict heeft inmiddels de levens geëist van meer dan 60.000 mensen. Terwijl de internationale gemeenschap het niet eens kan worden over een oplossing, gaan de gruwelijkheden aan beide kanten onverminderd door. Vast staat dat de uitkomst van de strijd in Syrië bepalend is voor de hele regio.

Ik spreek met wapenhandeldeskundige en onderzoeksjournalist Martin Broek over de (on)wenselijkheid van westerse wapenleveranties aan Syrische rebellen, het gebruik van controversiële wapens en het verdere verloop van het slepende conflict.

Het Verenigd Koninkrijk wil het EU-wapenembargo op Syrië versoepelen. Ze stellen dat als het Assad-regime wankelt, het verstandig is om wapens aan de rebellen te leveren om de laatste slag uit te delen. Wat vindt u van die suggestie?
“De wapens die je nu in Syrië ziet komen uit Qatar, Saoedi-Arabië of Libië. De vierde bron is het Syrische verzet zelf, dat wapens buitmaakt op legerbases. Die wapens uit Libië zijn een goed voorbeeld: die zijn daar tijdens de opstand gedropt door de Fransen, gebracht door Qatar en door rebellen buitgemaakt op de arsenalen van Khadaffi. Die zie je nu weer naar Syrië komen en ook naar het zuiden gaan, Mali is omgevallen door die wapens. Dit soort groepen gewapenderhand steunen leidt tot dergelijke situaties, want die groepen willen ook geld verdienen. Dus als die een zooitje oude FAL-geweren krijgen, kunnen ze die ook verkopen aan een groep in Birma die islamieten aan wil pakken. Er ontstaan problemen door, het is onverstandige politiek. Daarbij is het Vrije Syrische Leger geen leger, het zijn allemaal losse groepjes en voor een deel onbetrouwbaar en vervelend. Het is een gevaarlijke strategie.”

Een door de rebellen neergehaald MiG-toestel. © Youtube.

Een door de rebellen neergehaald MiG-toestel. © Youtube.

Welke politieke en strategische voordelen zouden wapenleveranties aan Syrische rebellengroepen in theorie kunnen opleveren voor de westerse wereld?
“Waarom er zo’n avontuurlijke politiek ten opzichte van Syrië is gekozen is voor mij de vraag. Groepen gaan steunen die men nauwelijks kent, die tijdens de Arabische Lente wel ontstaan zijn vanuit oprechte verontwaardiging over het gebrek aan vrijheid, maar al snel zijn overgenomen door andere groeperingen. Ik zie het strategische voordeel van deze koers niet. Ik vind het een onvoorzichtige, activistische en gevaarlijke koers. Voor de rebellen is het natuurlijk duidelijk. Zij hebben het meeste last van van de vliegtuigen. Als ze luchtafweergeschut hebben kunnen ze de MiG’s van Assad naar beneden halen.”

Volgens de New York Times is onlangs een door de VS goedgekeurde wapenlevering uit Qatar beland bij extremisten in Syrië. Welke gevolgen denkt u dat het kan hebben als wapenleveranties wél bij extremisten terechtkomen?
“Die extremisten zaten eerst in Tsjetsjenië, daarna in Kosovo of Bosnië, toen gingen ze naar Afghanistan en daarna in Libië vechten. Ze trekken van oorlog naar oorlog en meestal komt daar weinig goeds uit voort. Er worden wapens verspreid over de wereld. Je kan heel duidelijk het verband Libië-Syrië leggen. Je ziet dat er nu wapens in Libië worden tegengehouden die uit Syrië komen en je ziet ook dat wapens die uit Libië komen worden opgemerkt bij het Vrije Syrische Leger. Dus je ziet dat die stroom maar door en door gaat. Dat is onverstandig.”

Qatar en Saoedi-Arabië leveren al wapens aan radicaal-islamitische rebellen in Syrië. Wat zouden de beweegredenen van die landen zijn om aan dergelijke extremistische groeperingen wapens te leveren?
“Al twee jaar lang zijn soennieten uit de Golfregio zich aan het versterken en een bolwerk tegen de sjiieten aan het vormen. Je hebt het machtsbolwerk Iran-Syrië-Hezbollah en aan de andere kant de Saoedi’s die hun macht proberen uit te breiden. In Syrië wordt die oorlog nu gevoerd door wapenleveranties aan opstandelingen en extremisten. Het is het vergroten van de invloed van de Saoedi’s en Qatar huppelt daarin mee. Het streven is het uitbreiden van de soennitische politiek in de regio, van het Arabische Schiereiland tot aan de Atlantische Oceaan bij Marokko. Iran is sterker geworden omdat ze meer invloed hebben gekregen in Irak. Daar is dit tegenoffensief een reactie op. Daar past dit wapens leveren ook in, het is een zuivere vorm van machtspolitiek.”

Een Syrische rebel met een surface-to-air-raket. © Daily Telegraph.

Een Syrische rebel met een surface-to-air-raket. © Daily Telegraph.

Weergave van een voltreffer op een Syrische MiG met een hittezoekende raket. © Youtube.

Weergave van een voltreffer op een Syrische MiG met een hittezoekende raket. © Youtube.

De rebellen hebben surface-to-air-missiles nodig tegen de luchtmacht van Assad. Het Westen heeft geweigerd zulk soort geavanceerde wapens te leveren. Waarom denkt u dat het Westen zo krampachtig doet over dergelijke wapens?
“Eind jaren ’70 zijn dat soort wapens geleverd aan het verzet in Afghanistan, ik geloof twintig Stingers. Men is jaren op zoek geweest om die terug te vinden, omdat het vreselijk is als die in de verkeerde handen vallen. Ik kan hier buiten op m’n balkonnetje gaan staan en er komt boven mij ieder kwartier een grote Boeing voorbij met 360 passagiers. Met zo’n wapen kan ik ongelooflijk veel ellende aanrichten. Het zijn hele gevaarlijke wapens en dan hoef je niet eens deskundig te zijn. Ze zijn bedoeld voor militaire vliegtuigen, die gaan snel en hebben allerlei stealth– en ontwijkingsmechanismen. Dat hebben passagiersvliegtuigen niet, dus je richt en floep, daar gaan ze. Dat is het gevaar waar men bang voor is. Die wapens zijn ook niet groot. Een buis die je op je schouder zet ter dikte van een rioleringspijp en een handvat, meer dan dat is het niet. Dus je legt het achterin de auto, gaat de grens over en je staat zo binnen de kortste keren in Amsterdam, Londen of Parijs.”

Een Syirsche man toont een deel van een clusterbom. © New York Times

Een Syrische man toont een deel van een clusterbom. © New York Times

In Syrië is bewijs opgedoken van het gebruik van clustermunitie, veelal afkomstig uit Rusland. De meeste landen hebben clustermunitie verboden. Is het gebruik van zulke munitie door het regime een wanhopige zet te noemen?
“Het regime gebruikt de wapens die ze hebben om het verzet kapot te maken. Ze hebben gewoon niet zoveel. Ik las dat rebellen op een basis luchtafweergeschut hadden buitgemaakt. Dan kijk je wat dat is en blijkt dat uit de Tweede Wereldoorlog te stammen en nog in de verpakking te zitten. Assad heeft wel oude Sovjet-tanks en wat raketten uit Iran, Wit-Rusland en Noord-Korea, maar die straaljagers zijn het meest bruikbare dat ze hebben. Die tanks hebben ze in het begin veel ingezet en een tank in een stad is ook vreselijk, dan schiet je ook huizen aan puin waar mensen in wonen. Ik weet niet of dat minder erg is dan clustermunitie. Het is een stedelijke oorlog en die zijn altijd smerig. Het is een wanhoopsdaad om tanks in te moeten zetten tegen je bevolking. En als dat dan nog niet werkt, moet je nog zwaardere wapens gebruiken en dat escaleert.”

Assad beschikt over chemische wapens. Volgens westerse inlichtingendiensten heeft het regime die wapens meerdere malen verplaatst. Sommigen noemen dat bedreigend. Denkt u dat Assad die wapens nog zal inzetten?
“Assad gaat die wapens niet inzetten want dan is hij zijn belangrijkste bondgenoot kwijt. Rusland heeft daar ook geen misverstand over laten bestaan, als Syrië die wapens inzet is het afgelopen. De meest aannemelijke verklaring voor de verplaatsingen is dat ze het concentreren omdat het dan beter te beschermen is, want het moet natuurlijk niet in verkeerde handen vallen want dan is het ook afgelopen. Dan moet er wel een interventie komen, want als die wapens bij Al-Qaeda-strijders of andere islamitische mafketels terechtkomen zou dat rampzalig zijn. Ik denk overigens niet dat die wapens snel kwijtraken. Als Assad valt en er wanorde in het land is, worden die dingen gelijk opgehaald. De Russen hebben ook gezegd dat ze ieder gerucht en elke beweging in de gaten houden, men zal wel uitkijken dat het niet in handen valt van bendes. Onder de opstandelingen zijn ook Tsjetsjenen dus de Russen hebben er belang bij dat zulke wapens niet in handen van extremisten vallen.”

Patriot-raketsysteem in actie. © AP.

Patriot-raketsysteem in actie. © AP.

In reactie op de NAVO-Patriots in Turkije heeft Rusland Iskander-raketten geleverd aan Syrië, die niet tegen te houden zijn door afweersystemen. Kan dat escalerend werken ten opzichte van andere landen?
“Assad weet ook dat als hij raketten gaat afvuren op Turkije, het snel afgelopen is. Het gaat over de band tussen Rusland en Syrië laten zien, dat die nog bestaat. En dat is toch je middelvinger opsteken naar de rest van de wereld. Dat is ook Russische politiek: ‘Men kan dit of dat zeggen over Syrië, maar wij vinden het een soevereine overheid die kampt met binnenlandse opstanden’. Dat is de positie die Rusland altijd inneemt, omdat ze zelf ook dat soort problemen hebben. Patriots zijn ook niet bedoeld tegen simpele raketten en vliegtuigen, maar tegen ballistische raketten voor de middellange afstand. Patriots hebben een korte dracht van 20 kilometer, ze komen nu op 120 kilometer afstand van de grens te staan. Patriots zijn ook helemaal gericht op een functie binnen het raketschild. Dat raketschild wordt nu in Turkije opgesteld en dat verklaart ook de Russische reactie. Dat wil Rusland niet, naast Polen en Roemenië krijgen ze nu Turkije erbij. Die Patriots zijn er vooral op gericht het raketschild verder uit te breiden en vervolgens chemische wapens als excuus te nemen. Dit is een veel groter aspect van de internationale machtspolitiek dan enkel Syrië.”

Na de oorlog in Libië zijn wapens weggelekt naar aan Al-Qaeda gelieerde groeperingen, onder andere in Mali. Zou een dergelijk lek plaats kunnen vinden bij een machtsvacuüm in Syrië?
“Er kan van alles gebeuren. Je hebt natuurlijk Libanon. Het kan ook naar Somalië gaan. Er kwamen wapens binnen die gezien waren bij de Somalische piraten, die beweging kan natuurlijk ook weer andersom gaan. Het kan naar Jemen of de Palestijnse gebieden gaan. Of het gaat naar een Egyptische groep die het goed kan gebruiken om z’n positie te versterken, dan krijg je daar weer een hoop gelazer. In het Midden-Oosten zijn veel mensen die heel erg dol op wapens zijn. Het is een kruitvat, er zijn zoveel conflicten en brandhaarden die zo weer op kunnen laaien in dat gebied. Het is heel moeilijk te voorspellen.”

De Syrische president Bashar al-Assad. © AFP.

De Syrische president Bashar al-Assad. © AFP.

Wat verwacht u verder van het verloop van de burgeroorlog in Syrië, verwacht u dat Assad op korte termijn vertrekt?
“Ik denk dat Assad militair niet te verslaan is, behalve als verzetsgroepen sterk gesteund gaan worden en dat betwijfel ik. Je moet erop hopen dat die partijen naar de onderhandelingstafel worden geschopt en dat er iets uitkomt waar beiden mee kunnen leven. En dat is niet makkelijk, want de eisen zijn hoog gesteld van de ene kant en de andere kant heeft bruut geweld gebruikt om die aspiraties de kop in te drukken. Dus dat zijn partijen die moeilijk aan tafel te krijgen zijn. Het enige waardoor Assad kan vallen is als het leger in groten getale overloopt en een staatsgreep pleegt. Deze burgeroorlog leidt niet tot een conclusie. Uit dit gevecht komen geen winnaars voort, alleen maar verliezers.”